| |
|
|
In de tweede week krijgt u al een vorm aangeboden waarmee u snel en gemakkelijk de toekomende tijd kunt formuleren, namelijk door middel van het werkwoord ir a.
U leert klok kijken en over het weer praten, de weg vragen, zinnen ontkennen, vergelijken en tellen.
U leert iemand iets te geven, bijvoorbeeld "ik geef jou (meewerkend voorwerp) een bloem" en mensen en dingen aan te wijzen met het aanwijzend voornaamwoord (dit huis, dat schip, die jongen, deze zomer).
Aan het eind van deze week wordt de stof die behandeld is in week 1 en 2 nog eens herhaald door middel van oefeningen en door het geleerde samen in praktijk te brengen.
|
|
|
|